Laten we één ding voorop stellen. Natuurlijk vind ik ze er lief uitzien. En ja, ook ik vind dat plekje onder hun kin lekker zacht en luister graag naar hun gespin. Maar daar houdt het wat mij betreft wel op. Ik zeg het maar gewoon: de kat wordt overschat. Katten krijgen veel te veel eigenschappen toegeschreven waar ze in het geheel niet over beschikken.
Waar ik ook maar kom, overal lopen ze rond. Ze zitten loom op autodaken, loeren naar je vanonder een struik, ze strijken ineens flemerig met hun lijf langs je kuiten, zetten het op een rennen als ik een blokje om loop en bespieden me vanuit de eikenboom waarin ze al uren op vogeltjes zitten te loeren. In sommige woonwijken paraderen de katten en poezen in optocht, met hoog opgestoken staarten, door de voor- en achtertuinen. Op weg naar de volgende veldslag. 's Nachts klinkt er vanaf daken en uit de bosjes geluiden van gevechten en sekspartijen. Maar niemand die daarover klaagt.
Sterker nog, mensen die de 25 zijn gepasseerd (singles, maar ook jonge gezinnen of stellen die pas zijn gaan samenwonen) willen allemaal ineens een éígen kat. Okay, de buurman links heeft er al een, en de buurvrouw rechts ook, evenals de overburen en hun buren. Maar dat maakt niets uit – iedereen wil er een van zichzelf. Geen idee waarom. En zelfs één kat is nog niet genoeg. Na de eerste komt er vaak een tweede bij. En een derde. Eindresultaat: woonwijken met meer katten dan inwoners. Een heuse katten- en poezenplaag, overal gemiauw en krols gekrijs.
Kattenliefhebbers bevinden zich gek genoeg in goed gezelschap. Net als aan voetbal kleeft er kennelijk iets literairs aan die kleine tijgers. Er zijn verschrikkelijk veel Nederlandse schrijvers die met hun liefde voor de kat dwepen. Remco Campert, Willem Frederik Hermans (auteur van het boekje ‘De liefde tussen mens en kat'), Franz Pointl, bioloog Midas Dekkers, Rascha Peper, Maarten Biesheuvel, Hans Dorrestijn. Ja, zelfs Nobelprijs-winnares van vorig jaar, de Britse schrijfster Doris Lessing, schreef een boek over katten: ‘In 't bijzonder katten' (1981).
Al die auteurs hebben het er over dat hun katten ‘iets mysterieus' hebben. Dat ze zo eigenzinnig uit hun listige oogjes loeren en vooral zo'n ‘lekker onafhankelijk karakter' hebben. Niets van waar. Katten hebben geen karakter. Werkelijk contact met ze hebben, is onmogelijk. Als je ze wilt grijpen, vluchten ze. Ze liggen op de vensterbank, kijken je minzaam aan en geven je hooguit een klauw. Ze lijken allemaal op elkaar, of ze nou rood, zwart of gevlekt zijn. Katten hebben hoogstens een aard en die bestaat uit onwrikbaarheid, egocentrisme en onaanraakbaarheid.
Waarom dan toch die onstilbare honger naar een eigen kat? Het kan niet anders dan dat het de tijdgeest is; de ik-gerichtheid die anno 2008 hoog in het vaandel staat. Net als eigenbelang en individualisme. Men houdt van roofdieren. Zouden andere waarden centraal staan, zoals trouw, altruïsme en gehoorzaamheid, dan zou het in menige Nederlandse woonwijk ineens wemelen van de honden.
Wat te doen aan de overschatte kat? Want dat deze hype nog lang niet is overgewaaid, lijkt me duidelijk. De kat is here to stay, in de woonwijken, op de motorkappen, in de literatuur en in de schilderkunst. Daarom mijn voorstel: één kat per straat. Eén buurtkat voor iedereen. Dat lijkt me meer dan voldoende. Die kan overal binnen wandelen, zijn voordeeltjes pakken en vertrekken als het hem niet meer aanstaat. Een leven vol onthechting en eigenbelang – een kat op het pluizige lijf geschreven.
KIRSTEN VAN SANTEN
